Het is een mooi gevoel om te merken dat de herinneringen er nog zijn
Berlijn, woensdag 24 maart 1999
Helmut (35) werkt voor de televisie alsof het is voorbeschikt. Een geboren organisator, ongelofelijk precies, maar met een groot gevoel voor humor. Hij heeft pientere, olijke ogen. Een geboren ‘Berliner’, uit het oostelijk deel van de stad. Als negenjarige bezocht hij tijdens de vakanties z’n vader op zijn werk aan de Oranienburgerstrasse in Berlin-Mitte en werd vervolgens naar de bioscoop gestuurd, in het gebouw dat nu Tacheles heet, één van de grootste kraakpanden in het oosten van de stad. Hij bekeek er films uit de dertiger- en veertiger jaren.
Tussen 1996 en 1998 werkte ik samen met Helmut voor de televisiezender in Brandenburg, de deelstaat rondom Berlijn. We produceerden een politiek discussieprogramma, dat elke week haar tenten opsloeg in één of ander dorp of stad in Brandenburg, als er maar een brandende kwestie speelde tussen de voormalige DDR-inwoners en de lokale of landelijke politiek. We waren veel onderweg en ik genoot van de lange autoritten over de oude, nog door de Nazi’s aangelegde autobanen. Ze leidden door onverwacht mooie heuvelachtige landschappen en door dorpen waar de tijd heeft stilgestaan. Geen gladde rechte asfaltwegen, geen grote supermarkten, geen oogverblindende reclameborden maar stilte en rust.
We ontmoeten elkaar op een middag in maart in café Central, in het oostelijk deel van Berlijn. Een donker café met kaarsen op tafel. Een ontmoeting in het wat chiquere grand café, een paar meter verderop, heeft hij afgewimpeld. Na een fikse lunch met een aantal glazen wijn wandelen we van de Hackesche Höfe naar Unter den Linden. Tegenover de ‘Palast der Republik’ ploffen we op een bankje neer. De grote oranje ramen van het voormalig DDR-regeringsbolwerk lichten fel op in de namiddagzon. Achter ons wordt gevoetbald. De Dom met z’n kopergroene koepels ziet er schoongewassen uit.
Helmut: “Op 9 november ’89 keek ik om zeven uur s‘avonds naar de televisie en luisterde naar Schabowski die een briefje voorlas in een haastig belegde persconferentie. Hij zei zo ongeveer dat mensen die Oost-Berlijn wilden verlaten geen beperkingen zouden krijgen opgelegd, maar uit zijn woorden kon ik niet opmaken of je de grens ook werkelijk kon passeren. Het was een onmogelijke gedachte voor me. Even later zag ik in het nieuws dat er massa’s mensen voor de grensovergangen stonden. Op m’n fiets ben ik er heengegaan, na nog snel tien West-Duitse marken in mijn zak te hebben gestoken. We werden zomaar doorgelaten, we hoefden niet eens onze identiteitspapieren te laten zien. Een op tilt geslagen grensbewaker zei alleen nog tegen me dat het verboden was om per fiets over de grens te gaan. Die moet werkelijk volledig van de kaart zijn geweest.
Voor het eerst was ik in West-Berlijn. Twee uur lang heb ik er rond gefietst. De winkels vielen me op, met hun etalages.
In de Kurfürstenstrasse ontmoette ik een meisje uit West-Berlijn. Ik sprak haar aan en ze was verwonderd dat ik uit het oosten van de stad kwam. Annette heette ze. We zijn samen verder gefietst en na een uur in de kroeg beland. Daar hebben we tot vijf uur s ‘ochtends bier gedronken. Mijn tien Mark waren maar twee biertjes waard. We praatten over politiek en hadden zelfs een aanvaring over buitenlanders. In de DDR waren er ook buitenlanders, uit Cuba en uit andere communistische landen, maar die hadden een heel andere positie dan de buitenlanders in het westen. Ik was verbaasd over de problemen die het westen met de buitenlanders ondervond.
Er was ook geen werkeloosheid bij ons. Ik kende het probleem al wel van familie uit het westen, maar hun leven zag er dan nog steeds goed uit. Ze reden toch nog in een auto. Van de buitenkant zag werkeloosheid er helemaal niet zo verschrikkelijk uit. Ik was ook verbaasd over wat Annette over zichzelf vertelde. Ze wist nog niet precies wat voor werk ze wilde doen na haar studie. Ze had ook zo lang gestudeerd, wel tien jaar.
Voor mij was alles duidelijk. Het werk dat ik na mijn studie zou gaan doen. Voor mij was het normaal om mijn leven te plannen. Na de school kreeg je een stageplaats bij een bedrijf en daar bleef je dan werken.
Het was een bijzonder gesprek. Bij alle euforie toch ook de realiteit. Het was een geluk dat ik haar ontmoette. Om zes uur ben ik met een geluksgevoel naar huis gefietst. Het was een historisch moment. Daarna heb ik mijn vriendin bezocht, ze lag nog te slapen. Met de hele familie zijn we de tweede dag in onze trabbi naar het westen gereden, maar we konden de Kurfürstendamm niet eens vinden. Het was nog steeds overvol met mensen aan de grensovergang. Ze doopten onze auto met Sekt. Die eerste dagen werden we enthousiast door de Wessies begroet. Een mooi gevoel. In het begin was de ‘Begeisterung’ van beide zijden. Dat zal ik nooit vergeten.
In de tijd dat ik in de DDR leefde, stamden mijn helden al uit het westen. Vanaf mijn veertiende had ik een fascinatie voor de hippietijd, de late zestiger jaren. Het rebelleren tegen het establishment. Een beetje ouderwets, want eigenlijk was het vóór mijn tijd. Mijn vrienden stonden eind zeventiger jaren al lang op punk. Maar ik vond het levensgevoel dat de hippies uitstraalden leuk. Toen ik wat ouder was zag ik een stuk van Dario Fo in de Volksbühne: ‘Fictief bericht van een popfestival’, waarin naast het concert tegelijkertijd de moord op een zwarte werd behandeld. Een geweldig toneelstuk, ook al werd de hippietijd van al zijn mythes ontdaan. Ze draaiden veel muziek van de Stones en er hing een grote Amerikaanse vlag op het podium. Een ongewone voorstelling voor het oosten. Ik heb het programma bewaard.
Van 1983 tot 1989 volgde ik een opleiding als opnameleider voor de televisie. Ik kreeg een stageplaats bij de DDR-televisie en ben er daarna als assistent-opnameleider gaan werken. In de tussentijd was ik ook nog anderhalf jaar in militaire dienst. Bij de DDR-televisie leerde ik mijn huidige chef kennen, die me na de val van de muur een baan aanbood bij de net opgerichte Ostdeutscher Rundfunk Brandenburg. Dat heeft me van de werkeloosheid gered.
Ook de meeste van mijn vrienden hebben werk. Natuurlijk zijn er soms zorgen en moeten ze op zoek naar nieuw werk. Maar ik denk dat de mogelijkheden in Berlijn relatief goed zijn, in tegenstelling tot buiten de stad. Mijn broer woonde na de val van de muur in de buurt van Kassel en kon z’n hoofd ternauwernood als taxichauffeur boven water houden.
Veel beelden uit de DDR ben ik vergeten. Soms komen bepaalde beelden uit mijn kindertijd naar boven in een droom. Het is een mooi gevoel om te merken dat de herinneringen er nog zijn. Ik denk vaak dat ik ze op moet schrijven, anders gaan ze verloren. Ik denk toch nog vaak aan de DDR en vind het ook goed om het te hebben meegemaakt. Voor mijn ouders ligt dat anders. Zij waren veel langer van hun individuele vrijheid afgesneden. Pas vanaf mijn vijftiende realiseerde ik me de problemen met de staat. Mijn vader was geen held, maar als het moest, kwam hij voor zijn mening uit. Hij wilde geen lid van de partij worden. Het gevolg was dat zijn carrière minder goed verliep.
Ik ben ooit ‘s in mijn schooltijd opgepakt door de politie. Tijdens de voorbereidingen voor de Jugendweihe (de traditie in de DDR om jonge mensen officieel in de volwassenheid in te leiden) hadden we met de FDJ (de jeugdbeweging in de DDR) bedrijfsbezichtigingen.
Op een keer bezochten we een bedrijf in de buurt van de grens. Ik had stikkers met onder andere de Canadese vlag op mijn tas, helemaal niet politiek bedoeld, maar het werd niet getolereerd. Ze pakten me op en scholden me uit. In mijn identiteitspapieren vonden ze een formuliertje voor ‘hulp bij ongelukken’ van de kerk waarbij wij waren aangesloten. Dat vonden ze beledigend. Na twee uur mocht ik me weer bij mijn klas voegen. Toen ik het thuis vertelde werd mijn vader kwaad, er bestond officieel godsdienstvrijheid in de DDR.
Hij is met mij teruggereden naar die politiepost, maar de agenten wilden zich niet bij mij verontschuldigen. Mijn vader diende later een klacht in bij de rechterlijke macht. Zijn optreden maakte grote indruk op me. Dat hij voor me opkwam!
Ik mis niets uit de DDR. De saamhorigheid tussen mensen is er voor mij nog steeds, vooral ook met de mensen van de kerk, de Jonge Gemeente van de katholieke kerk. Maar veel mensen missen het gemeenschapsgevoel. Ik kan het me ook goed voorstellen, als je vrienden wegvallen en het collectief van het bedrijf waar je werkte.
De kinderopvang en de sociale verzorging in de DDR was niet zo goed als nu vaak wordt aangenomen. Mijn moeder was helemaal niet tevreden over de crèche waar mijn broers in zaten. De kinderen werden er volgens de normen van de partij (de Socialistische Eenheidspartij Duitsland) opgevoed. Mijn ouders hebben mij en mijn broers ook altijd op het hart gedrukt om niet over de kerk te praten. Zoiets werd meteen politiek gemaakt. Het officiële beeld van de kerk in de DDR was ouderwets. De manier waarop het ontstaan van de mens in de Bijbel wordt beschreven werd belachelijk gemaakt op school. Ze deden god smalend af als iemand die in de wolken woont. Er waren echt gemene leraren bij. Ik snapte niet waarom een leraar mij onderdrukte, alleen omdat ik bij een kerk was aangesloten. Dat mis ik dus niet. De kerk was een soort van oppositie. Veel kinderen van de kerk gingen niet bij de FDJ en deden niet mee aan de Jugendweihe. Ik wel. Ik voelde me daardoor ook niet gespleten.
In het begin van mijn stage bij de DDR-televisie, werd me verteld dat ik het niet ver zou brengen omdat ik bij de Jonge Gemeente was. Op het moment dat ik het vertelde was ik al binnen, als ze het eerder hadden geweten was ik niet aangenomen. 70% van de mensen bij de DDR-televisie waren bij de partij. Ze hebben me vaak gevraagd waarom ik niet bij de partij was. Het was moeilijk om te antwoorden zonder als staatsvijand te worden bestempeld. De DDR was toch een goede staat, waarom wilde ik die niet steunen… Ze vroegen ook waarom ik niet langer dan de officiële anderhalf jaar in dienst wilde. Ik gooide het op mijn ogen. Vroegen zij weer wat ik zou doen als ik niets met m’n ogen had. Ik keek toen maar heel dom. Ik was wel bang om mijn werk bij de televisie te verliezen. Sommige ‘lastige’ mensen werden in de boekhoudafdeling geplaatst, in plaats van lekker met een opnameteam er op uit… Daar moest ik niet aan denken. Alleen als je met goede argumenten kwam, lieten ze je met rust, maar dat heb ik wel moeten leren. Als je het goed deed hielden ze op met die vervelende vragen.
Het was een goede ervaring om in zo’n systeem te hebben geleefd. De DDR was goed en slecht. Zoveel beter loopt het in het westen ook niet. In de DDR vielen mensen niet door het sociale net en ze stierven niet van kou op straat.”
woensdag 24 maart 1999
Abonneren op:
Posts (Atom)