vrijdag 26 maart 1999

Interviews Berlijn / Lilly

Ik grijp vaak in de leegte... / Berlijn, donderdag 26 maart 1999


Lilly is achttien en woont in Prenzlauerberg, een artistieke wijk in het oosten van Berlijn. Haar kleren verraden de stijl van de Prenzlauerberg scene: een broek met wijde pijpen, eroverheen een jurk tot net boven de knieën en daar weer overheen een fluwelen jack met capuchon. Bruine ogen in een ernstig en smal gezicht. Ze praat een beetje Oost-Berlijns, iets platter en humoristischer dan het officiële Duits. De ‘g’ wordt bijvoorbeeld als een ‘j’ uitgesproken: in plaats van ‘goed’ is het ‘joet’.
Drie maanden geleden werd ze afgewezen bij het toelatingsexamen voor de theaterschool, terwijl ze al een aantal prominente rollen in verschillende films heeft gespeeld. Volgend jaar probeert ze het opnieuw, want ze weet zeker dat ze actrice wil worden. Acteren werkt bevrijdend.

Toen ze zes jaar was, vluchtte Lilly’s vader van Oost- naar West-Duitsland. Op een ochtend nam hij op de gewone manier afscheid en kwam niet meer terug. Een jaar later vloog ze met haar stiefzusje naar Praag om hem stiekem te ontmoeten. Bij het weerzien was hij een vreemde geworden. Gedrieën brachten ze twee weken door in Tsjechië; het werd toch wel een mooie vakantie. Alleen de laatste avond kregen ze vreselijke ruzie. Toen kwam de boosheid over zijn onaangekondigde vertrek plotseling naar boven. Twee jaar later viel de muur.

Lilly: “Alles wat ik uit het westen kreeg was roze. Ik hield niet eens van roze. Maar toen ik op mijn negende jaar voor het eerst het westen zag, was ik wel teleurgesteld omdat alles veel grauwer was dan ik me had voorgesteld. Op de avond van 9 november 1989 gingen de grensovergangen bij de muur open, maar ik sliep gewoon. De volgende dag op school werd het verteld. Mijn moeder, die documentaires maakt, was toevallig voor een paar dagen in het westen aan het werk. Ik ontmoette haar op 10 november bij de grensovergang Friedrichstrasse. Daar nam ze me mee de grens over, samen met wat westerse vrienden.
Mijn moeder gedroeg zich zoals altijd. Ze was kortaf, druk met haar werk. Ik kan me niet herinneren dat ze uitgelaten was. De inrichting van het huis van haar vrienden vond ik wel erg indrukwekkend. Het zag er veel chiquer uit dan bij ons.
Ik vindt mezelf niet een typische Ossie. De kunstenaarsscene in Prenzlauerberg was, en is nog steeds, een wereld op zich. Maar mijn omgangsvormen zijn wel door het oosten beïnvloed. Mensen uit het oosten geven elkaar bij elke ontmoeting een hand, mensen uit het westen niet. Ik grijp vaak in de leegte…
Voor oudere mensen is het vreselijk dat er geen Heimat meer is. Het Oostduitse platteland ziet er steeds meer uit zoals het platteland in het westen. Glad en verzorgd. Dat stoort mij ook. In het oosten was het niet perfect, maar de atmosfeer was mooi. Romantisch. De wegen waren niet geasfalteerd en de huizen verwaarloosd.
Ook hier in Prenzlauerberg was meer charme. Het erge is dat veel mensen uit het westen vanwege die charme naar dit deel van de stad trekken, waardoor de sfeer juist verdwijnt. Ze proberen de scene hier in Prenzlauerberg na te doen, maar je ziet aan alles dat ze uit het westen komen. Nu worden de huizen worden gerestaureerd, waardoor de huren stijgen. Er komen nieuwe dure winkels. Het wordt een buurt voor rijken. De rest kan het niet meer betalen. Dat is jammer. Vroeger woonde iedereen door elkaar.
Prenzlauerberg was al een kunstenaarswijk in de DDR, vergelijkbaar met Kreuzberg. Er was een rijk ondergronds kunstenaarsleven en dat is eigenlijk nog steeds zo. Er zijn veel officiële clubs voor toeristen, maar tegelijkertijd heb je de ‘Freitagbars’, georganiseerd door kunstenaars. Ze adverteren niet in kranten en bestaan soms maar een paar maanden.
Dan beginnen ze een nieuwe club op een andere plek, ergens in een kelder in een derde binnenplaats van een groot woningblok, altijd op de vlucht voor toeristen. Waar ze zijn gaat van mond tot mond. Als ik s’avonds met vrienden over straat loop, zien we soms ineens een rode lamp, of we horen muziek. Blijkt dat er zo’n party aan de gang is. Wat dat betreft valt hier altijd zoveel te ontdekken. Nu schijnen er ook veel van dat soort clubs in Friedrichshain te zijn, een wijk nog verder in het oosten. Maar daar kom ik nooit, dat is te ver weg.”

Wat zijn voor jou nu grote verschillen tussen oost en west?
“Vroeger zat onze keuken altijd vol bezoek; in het oosten hadden maar weinig mensen een telefoon dus je moest elkaar wel bezoeken. Nu hebben mensen minder tijd, iedereen leeft z’n eigen leven en je hebt kontakt via het antwoordapparaat. Nu komen mensen thuis van hun werk en kijken stomme series op de televisie. En daar praten ze dan weer over op hun werk.
Laatst vertelde één van mijn vriendinnen over een vrouw die zwanger was geworden. Bleek dat het over een vrouw uit zo’n serie ging. Ik vind het onzin om mijn tijd daarmee te verdoen.
Soms heb ik het gevoel er in deze samenleving alles aan wordt gedaan om communicatie te verhinderen. Veel mensen winden zich ook op over de manier waarop mensen nu met elkaar omgaan. Het probleem is dat iedereen voor zichzelf leeft.
Het leven is harder geworden. Veel mensen uit de voormalige DDR hebben last van Existenz-angst, de angst om het bestaan. Natuurlijk was er ook Existenz-angst in de DDR, maar die was politiek. Zolang je je aan de regels hield, was er geen gevaar. De Stasi was ook niet altijd en overal aanwezig. Je kwam vooral in de problemen als je naar het westen wilde vluchten.
Ik ben nu ook niet zo overtuigd van de politiek. Ik geloof niet dat de politiek op een bepaalde ideologie is gebaseerd. Alles wordt bepaald door de economie. De economie domineert de politiek. Over tien jaar is het hier net zo als in de USA. Alle sociale voorzieningen verdwenen. Mensen moeten steeds meer zelf betalen.
Soms vraag ik me af waarom iedereen carrière wil maken, waarom iedereen zoveel geld wil verdienen. Volgens mij wordt geld met vrijheid verward: je kunt op vakantie wanneer je wilt, je kunt iemand aannemen die je boekhouding doet en die je huis schoonmaakt. Maar de meeste mensen werken en werken en gaan vervolgens volledig uitgeput op een eiland zitten.
Mensen kunnen zich ook niet meer ontspannen. Ook ik voel de druk om te presteren, om zoveel mogelijk diploma’s te halen. De concurrentie is groot, dus je moet je onderscheiden om aan de bak te komen. Dat begint al op school. Je moet zoveel mogelijk weten, zo zelfstandig mogelijk werken en zo hoog mogelijke cijfers halen. Verschrikkelijk hoeveel tijd school kost. Soms denk ik mijn god, dit zijn de beste jaren van mijn leven en ik heb alleen maar verplichtingen. Voor jongens geldt dat helemaal omdat die ook nog in dienst moeten.
Een van de grootste verschillen tussen mensen uit de DDR en mensen uit het westen is dat mensen uit het westen zichzelf beter kunnen verkopen. Ze durven gewoon op te scheppen. In het westen laat je je zwakheden niet zien. In de DDR speelde dat niet zo’n rol. Of je nu goed was of slecht, iedereen had werk. Natuurlijk liepen veel baantjes ook via connecties, maar in ieder geval hoefde je jezelf niet te verkopen. Ik kan dat ook niet. Wanneer ik in een film speel, zie ik dat als een grote verantwoordelijkheid. Stel dat ik niet kan waarmaken wat ik anderen heb voorgespiegeld?”

Hoe ben je in de film gerold?
“Ik begon met acteren op m’n dertiende. Mijn moeder had gestudeerd met Thomas Heise, de regisseur. Hij vroeg of ik mee wilde spelen in der Brotladen, een stuk van Berthold Brecht over een arbeidersopstand. We speelden in het Berliner Ensemble, een gerenomeerd Brechttheater in Oost-Berlijn. Ik speelde een vrouw die altijd uit het venster hangt en die alles wat op straat gebeurt, bekritiseert. Hierna heb ik meer rollen gespeeld in theaterstukken en in 1995 speelde ik de hoofdrol in een televisiefilm.”

Heb jij last van vooroordelen van Wessies tegenover Ossies?
“In 1990, een jaar na de Wende, ging ik naar het Gymnasium in Kreuzberg in West-Berlijn. Het eerste jaar was ik samen met een ander meisje de enige Ossie in de klas. In discussies werden de Ossies bekritiseerd, vooral door Turkse klasgenoten. Eerst deden Turken het werk dat de mensen uit het westen niet wilden doen, toen kwamen de Ossies. Zij werden in grote getale werkeloos en de werkgevers wilden liever de goedkope Duitse Ossies dan goedkope Turken. Ik heb het oosten altijd verdedigd. Er gebeurden ook goede dingen. Er was een heel goed systeem voor tweedehands spullen en er werd veel gedaan voor jongeren. Ik was bijvoorbeeld bij de Jungpioniere.” (De door de staat georganiseerde jongerenbeweging in de DDR, waarbij je je maar beter kon aansluiten om niet in de problemen te komen. EV.)
Een van de grootste vooroordelen van Wessies is dat ze de Ossies ongekwalificeerd vinden. Dat is echt onzin. De opleidingen waren niet slechter. Ik krijg regelmatig het idee dat Wessies de Ossies dommer vinden, alleen omdat we in een land leefden dat economisch geen grote prestaties heeft geleverd. Alsof de bevolking dan niet intelligent kan zijn. Nu hebben veel mensen trouwens niet eens het geld om een vervolgopleiding te doen.
Er zijn wel meer vooroordelen. Toen ik in 1994 in Griekenland was, ontmoetten we Engelsen en Fransen die niet geloofden dat we uit Oost-Duitsland kwamen, omdat we er zo netjes uitzagen. Ze dachten dat we in lompen of zakken zouden lopen. Ik kon m’n oren niet geloven.
Ik viel van mijn stoel van verbazing toen ik voor het eerst hoorde dat mensen de DDR een dictatuur noemden. In een dictatuur is voor mij een zichtbare dreiging aanwezig, zoals die er was in Chili of Roemenië. Maar in de DDR was er geen continue militaire bewaking. Er was een Staatssicherheit en er was geen meningsvrijheid, maar het was voor mij geen dictatuur. Volgens mij hebben oudere mensen dat ook niet zo ervaren. Maar zo staat het in de westerse schoolboekjes.
Wij mochten ook het land uit. Niet naar kapitalistische landen, maar wel naar de verschillende staten in het Oostblok. Het is dus niet zo dat we volledig opgesloten waren. Mensen hebben niet geleden, materieel. Er was geen honger in de DDR en mensen werden niet door militairen bedreigd. Ja, natuurlijk wel als ze zich tegen de staat keerden. Het was voor een deel erg corrupt maar daarom zou ik het nog niet als dictatuur willen bestempelen.
De schoolboeken in de DDR waren trouwens ook niet bepaald zakelijk. Er werd altijd gepraat over de vijand. Het westen was de vijand.”

Lilly neemt me mee op sleeptouw door Prenzlauerberg. We lopen langs volle terrassen naar het ‘Mauerpark’, een monument op een van de plekken waar de Berlijnse muur heeft gestaan. Op het gras zitten groepjes mensen met hun gezicht in de zon. De sfeer is ontspannen.
Er wordt geschommeld, gepraat en gitaar gespeeld. Overal lopen kleine kinderen.

Lilly: “Er zijn nog maar weinig plekken waaraan je kan zien dat de muur er heeft gestaan.
Vroeger stond hier een grenstoren, waarvandaan de mensen uit het westen in het oosten konden kijken. Alsof we dieren waren in de dierentuin.
Voor mij zal het nooit verdwijnen. Als ik kinderen krijg, zal ik ze over de DDR vertellen. Maar op een gegeven moment hebben die verhalen natuurlijk steeds minder met de werkelijkheid van de DDR te maken.”

Interviews Berlijn / Joseph

‘Firma Mensch’, Berlijn, 27 maart 1999


Vanuit de Käthe Kollwitzplatz in Prenzlauerberg is het niet ver naar de Danzigerstrasse.
Die steek ik over en dan loop ik verder door de Senefelderstrasse. Hier is het Prenzlauerberg dat nog niet door toeristen en het grote geld is ingehaald. Achter sommige verveloze gevels is met enige moeite een architectonische stijl te vinden, die doet denken aan Art Déco.
Aan een klein rond pleintje met hoge huizen staat het huis van Joseph (51), een kunstenaar die al lang in Oost-Berlijn woont. Het is moeilijk om zijn atelier te vinden. Er is geen bel. De deur kraakt. Het geluid klinkt na in het koele portaal, dat er uitziet zoals alle portalen in alle huizen van Berlijn. Het is er donker. Aan de muur zit een knop met een oranje lichtje, waarmee je een lamp aan kunt doen. Links en rechts is een trap naar boven. Op de vloer ligt bruin zeil. Rechtdoor ligt de binnenplaats. Hier is het doodstil. Overal zijn deuren, met daarachter weer trappen. Dit is wat er wordt bedoeld met ‘Wohnkaserne’, heel veel woningen, zes tot zeven etages hoog, op een klein stukje grond. Toch zijn de meeste woningen veel ruimer dan een doorsnee woning in Nederland.
Op de eerste verdieping moest ik zijn. Maar welke trap? Ik probeer verschillende trappen, maar vindt nergens de naam van Joseph. Het huis is een doolhof als je niet weet waar je moet zijn. Twee deuren zijn nog over. De ene is op slot, die ernaast is open. Ik loop twee trappen op en staar naar een onbekende naam. Dan herinner ik me dat het atelier van Joseph’s vrouw is.
Na enig aarzelen klop ik op de houten deur en dan staat hij voor me. Lachende ogen achter een enorme baard. Hij neemt me mee in het atelier, waar hij werkt aan de voorbereiding van een expositie. Sinds zo’n twintig jaar maakt hij foto’s, die hij vervolgens als ansichtkaarten en affiches verspreidt. Hij heeft z’n eigen uitgeverijtje en de kaarten worden in verschillende winkels verkocht. In het gangetje naast het atelier staan honderden kartonnen dozen, vol ansichten. Veel foto’s zijn afbeeldingen van gebods- en verbodstekens, richtingaanwijzers en publieke boodschappen. Het lijkt alsof hij duidelijk wil maken dat geen enkel systeem vrij is van bureaucratie. Het resultaat is meestal satyrisch.
Ik ken Joseph al een paar jaar. We hebben elkaar leren kennen op een ijskoude winterdag en werden al discussiërend dronken in de kroeg. Hij wil wel meedoen aan een gesprek over
“tien jaar westen in het oosten”.

Joseph: “Ik ben geboren in Halle en kwam op mijn achtste jaar met mijn moeder naar Berlijn. Zij was handelsvrouw en veel op reis. Ik was vaak aan mijn lot overgelaten, maar dat was niet erg. Ik kreeg m’n eten op school en zwierf veel over straat.
In 1961 was ik twaalf jaar en werd de muur gebouwd. Mijn moeder was op dat moment in Cuba, waar de Amerikanen net hun invasie hadden uitgevoerd, ze kende Ché Quevara.
Ik deelde briefjes uit aan de mensen die de muur bouwden, met de tekst ‘Handen af van Cuba’, maar had nog niet zo door wat er precies gebeurde daar bij die muur. Het verdelen van die briefjes was wel m’n eerste uiting van kritisch denken. Ik vond dat Cuba in vrijheid moest kunnen doen wat ze wilde. Wat ging dat de Amerikanen aan?
Op 9 november 1989 is de muur weer gevallen, maar ik ben pas in 1990 naar het westen gegaan. Wat moest ik daar? Ik wilde niet eens. We wilden een betere DDR, niet het westen. De Wende, letterlijk keerpunt, is voor mij een stap terug. Zo hebben we het niet bedoeld.
Het socialistische idee is gestrand op geld, de DDR was failliet, maar komt volgens mij ooit weer terug. In de ontstaanstijd van de DDR zag het er hoopvol uit. Soms heb ik het gevoel dat ik in het verleden een glimp van de toekomst heb gezien. Ik vraag me af hoe de volgende Wende eruit zal zien, zoals het nu is, is het volledig mis.”

Vanaf 1976 werkte Joseph als leraar op een kunstopleiding, een avondschool. Hiermee had hij de status van zelfstandige. De enige eis die werd gesteld, was dat je moest aantonen dat je 3.000 mark per jaar verdiende. Het voordeel was dat niemand je lastig viel. In die tijd begon hij met het organiseren van eigen tentoonstellingen.
Joseph: “Dat ging heel goed, al waren er regelmatig aanvaringen en kritische momenten. Er werd bijvoorbeeld eens een tentoonstelling gesloten, nog voordat ‘ie was geopend. De partijsecretaris en de chef van het cultuurforum kwamen langs terwijl ik aan het opbouwen was. Ze wilden dat ik een paar beelden weghaalde, maar dat wilde ik niet. Toen werd er een bordje neergehangen: tentoonstelling om technische redenen gesloten. We hebben de opening bij mij thuis gevierd. Natuurlijk was ik kwaad, maar ik had ook het gevoel dat ik de vinger op de zere plek had gelegd. Ik had iets goeds gemaakt.
Ik was geen held, ook niet zo geboren, maar ik doe gewoon niet mee met bepaalde dingen. Als je held zegt stop je me meteen in een vakje. Dat maakt veel duidelijk over hoe we met taal omgaan Ik ben ook geen kunstenaar. Het is onbelangrijk hoe het heet. Ik wil gewoon werk doen waarvoor ik zelf kies, er moet een innerlijke drijfveer zijn in het werk dat een mens doet.”

Wat zijn de verschillen tussen vóór- en ná de val van de muur?
“Ik woon nog in hetzelfde huis, ik doe hetzelfde werk, zij het onder buitenlandse voorwaarden. Op straat heb ik vaak het gevoel dat ik in het buitenland ben. Alle huizen krijgen nieuwe gevels en gaan er uit zien als een vijfenzeventigjarige vrouw met het uiterlijk van een vijftienjarig meisje. Ik hield van die oude afgebladderde gevels en van straten zonder reclame en vind het diep treurig dat het er nu zo clean uit gaat zien. Thuis ben ik in m’n eigen land. Vroeger bedroeg mijn huur 31 mark per maand en nu 500, terwijl er aan de woning niets is veranderd. Vroeger hoefde ik maar één dag bij SERO, het verzamelpunt van gebruikte spullen in de DDR, te werken en dan had ik mijn huur. De huidige 500 ‘Westmark’ heb ik niet zo snel bij elkaar. Er wordt dus veel meer van mijn tijd gevraagd, alleen al om huur te betalen.
Zoals ik al zei is de Wende de weg terug. ‘Firma Mensch’ schopt alles in de war. Door de val van de muur is er veel meer berekening gekomen, in economische en politieke zin. Het wezen van de mens, het sociale wezen, bestaat niet meer. Dat is ‘Firma Mensch’, als je je afvraagt: wat heb ik daar aan, hoe wordt ik hier beter van? Ik doe er niet aan mee en tot nog toe heb ik geluk gehad dat het gaat, dat ik kan eten. Ik dring niemand op om te denken zoals ik, maar het valt me wel op dat maar zo weinig mensen nadenken, uit gemakzucht, of uit gewoonte. ”

Hoe gaan je vrienden en bekenden om met de nieuwe tijd?
Joseph: “Met sommigen gaat het zo goed dat ik me afvraag of we nog vrienden zijn. Ze hebben een BMW, een huis, een kindermeisje en een zaak. Met anderen gaat het helemaal niet, dat zijn misschien ook geen vrienden meer. Sommigen zijn wereldvreemd geworden. Een beeldhouwer hier uit de straat is bijvoorbeeld niet meer om uit te houden. Hij kan het niet in deze wereld. Hij leeft van de bijstand, drinkt en is agressief. We delen goede herinneringen aan de tijd voor 1989. Er zijn veel mensen met wie het goed gaat en veel met wie het slecht gaat. Met beide uitersten kan ik niets beginnen. Ik zit er tussenin, vanuit die positie kan ik ermee omgaan.”



Er wordt geklopt. Karla, de vrouw van Joseph, komt binnen. Ze is klein, heeft rood haar en is net als Joseph kunstenaar. Om haar geld te verdienen geeft ze handvaardigheid op een middelbare school. Ze nodigt ons uit voor het eten. We lopen naar de verdieping boven het atelier. De kleine ronde tafel in de keuken staat vol kaas, worst, Duits brood en bier.
Karla mengt zich met verve in het gesprek:
“Het verlangen naar sociale relaties blijft, ik zie aan mijn leerlingen dat ze nog steeds op zoek zijn naar sociale verbanden. Het is heel gek, ze lijden onder het systeem school, maar komen na twee jaar huilend terug omdat ze het missen. Jongeren hebben een structuur nodig. Rituelen. Dingen die steeds weer terugkeren. Iets waar ze bij horen. Er wordt nu meer van mensen gevraagd. Ze moeten presteren maar niet alle jongeren kunnen daarmee overweg. Veel leerlingen zijn na de middelbare school begonnen aan een studie, maar ze begrijpen niet wat er van ze verlangd wordt. Ze proberen een plaats te vinden op de universiteit, maar weten niet goed hoe ze moeten studeren. Ze zien geen samenhang. Tegelijkertijd zien ze, vooral als hun ouders werkeloos zijn, dat de samenleving heel goed zonder ze kan. Niemand heeft ze nodig. De samenleving individualiseert. Er zijn veel mensen die alleen willen leven en die zoveel mogelijk onafhankelijk willen zijn. Maar ze zijn niet écht onafhankelijk.
Mensen hebben zich honderden jaren lang bij de een of andere kerk aangesloten. Die kerk heeft mensen gebruikt, maar ze vonden er ook een zin. Ze voelden zich geborgen in God’s schoot. Dit verlangen naar een zin proberen mensen nu in New Age te vinden. Misschien worden ze opnieuw gebruikt, maar je mag deze zoektocht niet wegsmijten.”

Is de kerk niet vergelijkbaar met het systeem in de DDR?
Karla: “Er was meer saamhorigheid in de DDR. Menselijke relaties hadden een andere inhoud dan nu gebruikelijk is. We deelden bepaalde plichten, zoals de opvoeding van onze kinderen. Hierdoor had ik meer vrijheid. Ik vind snel uit of mensen uit het oosten komen. Er is nog steeds een grote betrokkenheid. Veel mensen voelden zich in de DDR verbonden in de bedrijfscollectieven. Ik vond die grote georganiseerde feesten of betogingen, dat doen alsof we één grote gemeenschap waren, leugenachtig. Ik heb mijn kind op een gegeven moment in een crèche van de kerk gedaan, maar daar was het niet anders.
Mijn chef’s waren een soort van betrouwbare vijanden. Omdat ik ‘Genossin’ was, ik was namelijk bij de partij omdat ik heb geloofd in een socialistische samenleving, konden ze me nooit iets maken. Het werd zeer demagogisch gespeeld: we hadden één vijand en dat was het westen. Ik had geen zin om een strijd aan te gaan met die idioten, nog steeds niet. Al kon ik eerlijk gezegd beter omgaan met de DDR-autoriteiten als met de kapitalistische.
Nu wordt het me niet meer verboden om als kunstenaar kritisch werk te maken, maar de ruimte om te spelen is me afgenomen. Ik moet mijn leven financieren. Vroeger speelde dat niet zo dringend. Nu is er zogenaamd vrijheid, maar de één na de ander verliest z’n baan.”

Joseph: “Er was meer tijd in de DDR. Dat is het belangrijkste wat het westen van me heeft gestolen. Omdat we minder georiënteerd waren op geld, had ik meer tijd om dingen te maken die geen geld opleveren. Nu moet ik nadenken hoe ik geld bij elkaar krijg, om een maand te kunnen besteden aan werk dat me interesseert.
Het is nog niet de tijd voor een rechtvaardige samenleving. Daarvoor heb je een enorme hoeveelheid mensen nodig, die met minder willen leven. Die niet zo nodig elke dag in 200 liter water hoeven te liggen, of allemaal in een auto willen rijden. Op het nieuws zeiden ze laatst dat de pas gevallen sneeuw files veroorzaakte. Maar dat ligt niet aan de sneeuw, dat ligt aan de auto’s.”

Het gesprek stokt als er ineens een enorm onweer losbarst. Voordat ik me naar huis haast, drukt Karla me nog wat foto’s van haar werk in de hand. Grote ruimtelijke installaties, waaronder een grote hangmat: “11x21 afzenders van brieven, die ik tot 1989 ontving, afgescheurd, geplastificeerd en met een touw van hennep tot een hangmat aan elkaar geknoopt”. De bijbehorende teksten: “Zoek ze niet / Ze zijn getrouwd / Ze zijn verhuisd /
Ze zijn vreemd geworden / Ze zijn gestorven / Ze schrijven niet meer / Zij die mij schreven.