Ik grijp vaak in de leegte... / Berlijn, donderdag 26 maart 1999
Lilly is achttien en woont in Prenzlauerberg, een artistieke wijk in het oosten van Berlijn. Haar kleren verraden de stijl van de Prenzlauerberg scene: een broek met wijde pijpen, eroverheen een jurk tot net boven de knieën en daar weer overheen een fluwelen jack met capuchon. Bruine ogen in een ernstig en smal gezicht. Ze praat een beetje Oost-Berlijns, iets platter en humoristischer dan het officiële Duits. De ‘g’ wordt bijvoorbeeld als een ‘j’ uitgesproken: in plaats van ‘goed’ is het ‘joet’.
Drie maanden geleden werd ze afgewezen bij het toelatingsexamen voor de theaterschool, terwijl ze al een aantal prominente rollen in verschillende films heeft gespeeld. Volgend jaar probeert ze het opnieuw, want ze weet zeker dat ze actrice wil worden. Acteren werkt bevrijdend.
Toen ze zes jaar was, vluchtte Lilly’s vader van Oost- naar West-Duitsland. Op een ochtend nam hij op de gewone manier afscheid en kwam niet meer terug. Een jaar later vloog ze met haar stiefzusje naar Praag om hem stiekem te ontmoeten. Bij het weerzien was hij een vreemde geworden. Gedrieën brachten ze twee weken door in Tsjechië; het werd toch wel een mooie vakantie. Alleen de laatste avond kregen ze vreselijke ruzie. Toen kwam de boosheid over zijn onaangekondigde vertrek plotseling naar boven. Twee jaar later viel de muur.
Lilly: “Alles wat ik uit het westen kreeg was roze. Ik hield niet eens van roze. Maar toen ik op mijn negende jaar voor het eerst het westen zag, was ik wel teleurgesteld omdat alles veel grauwer was dan ik me had voorgesteld. Op de avond van 9 november 1989 gingen de grensovergangen bij de muur open, maar ik sliep gewoon. De volgende dag op school werd het verteld. Mijn moeder, die documentaires maakt, was toevallig voor een paar dagen in het westen aan het werk. Ik ontmoette haar op 10 november bij de grensovergang Friedrichstrasse. Daar nam ze me mee de grens over, samen met wat westerse vrienden.
Mijn moeder gedroeg zich zoals altijd. Ze was kortaf, druk met haar werk. Ik kan me niet herinneren dat ze uitgelaten was. De inrichting van het huis van haar vrienden vond ik wel erg indrukwekkend. Het zag er veel chiquer uit dan bij ons.
Ik vindt mezelf niet een typische Ossie. De kunstenaarsscene in Prenzlauerberg was, en is nog steeds, een wereld op zich. Maar mijn omgangsvormen zijn wel door het oosten beïnvloed. Mensen uit het oosten geven elkaar bij elke ontmoeting een hand, mensen uit het westen niet. Ik grijp vaak in de leegte…
Voor oudere mensen is het vreselijk dat er geen Heimat meer is. Het Oostduitse platteland ziet er steeds meer uit zoals het platteland in het westen. Glad en verzorgd. Dat stoort mij ook. In het oosten was het niet perfect, maar de atmosfeer was mooi. Romantisch. De wegen waren niet geasfalteerd en de huizen verwaarloosd.
Ook hier in Prenzlauerberg was meer charme. Het erge is dat veel mensen uit het westen vanwege die charme naar dit deel van de stad trekken, waardoor de sfeer juist verdwijnt. Ze proberen de scene hier in Prenzlauerberg na te doen, maar je ziet aan alles dat ze uit het westen komen. Nu worden de huizen worden gerestaureerd, waardoor de huren stijgen. Er komen nieuwe dure winkels. Het wordt een buurt voor rijken. De rest kan het niet meer betalen. Dat is jammer. Vroeger woonde iedereen door elkaar.
Prenzlauerberg was al een kunstenaarswijk in de DDR, vergelijkbaar met Kreuzberg. Er was een rijk ondergronds kunstenaarsleven en dat is eigenlijk nog steeds zo. Er zijn veel officiële clubs voor toeristen, maar tegelijkertijd heb je de ‘Freitagbars’, georganiseerd door kunstenaars. Ze adverteren niet in kranten en bestaan soms maar een paar maanden.
Dan beginnen ze een nieuwe club op een andere plek, ergens in een kelder in een derde binnenplaats van een groot woningblok, altijd op de vlucht voor toeristen. Waar ze zijn gaat van mond tot mond. Als ik s’avonds met vrienden over straat loop, zien we soms ineens een rode lamp, of we horen muziek. Blijkt dat er zo’n party aan de gang is. Wat dat betreft valt hier altijd zoveel te ontdekken. Nu schijnen er ook veel van dat soort clubs in Friedrichshain te zijn, een wijk nog verder in het oosten. Maar daar kom ik nooit, dat is te ver weg.”
Wat zijn voor jou nu grote verschillen tussen oost en west?
“Vroeger zat onze keuken altijd vol bezoek; in het oosten hadden maar weinig mensen een telefoon dus je moest elkaar wel bezoeken. Nu hebben mensen minder tijd, iedereen leeft z’n eigen leven en je hebt kontakt via het antwoordapparaat. Nu komen mensen thuis van hun werk en kijken stomme series op de televisie. En daar praten ze dan weer over op hun werk.
Laatst vertelde één van mijn vriendinnen over een vrouw die zwanger was geworden. Bleek dat het over een vrouw uit zo’n serie ging. Ik vind het onzin om mijn tijd daarmee te verdoen.
Soms heb ik het gevoel er in deze samenleving alles aan wordt gedaan om communicatie te verhinderen. Veel mensen winden zich ook op over de manier waarop mensen nu met elkaar omgaan. Het probleem is dat iedereen voor zichzelf leeft.
Het leven is harder geworden. Veel mensen uit de voormalige DDR hebben last van Existenz-angst, de angst om het bestaan. Natuurlijk was er ook Existenz-angst in de DDR, maar die was politiek. Zolang je je aan de regels hield, was er geen gevaar. De Stasi was ook niet altijd en overal aanwezig. Je kwam vooral in de problemen als je naar het westen wilde vluchten.
Ik ben nu ook niet zo overtuigd van de politiek. Ik geloof niet dat de politiek op een bepaalde ideologie is gebaseerd. Alles wordt bepaald door de economie. De economie domineert de politiek. Over tien jaar is het hier net zo als in de USA. Alle sociale voorzieningen verdwenen. Mensen moeten steeds meer zelf betalen.
Soms vraag ik me af waarom iedereen carrière wil maken, waarom iedereen zoveel geld wil verdienen. Volgens mij wordt geld met vrijheid verward: je kunt op vakantie wanneer je wilt, je kunt iemand aannemen die je boekhouding doet en die je huis schoonmaakt. Maar de meeste mensen werken en werken en gaan vervolgens volledig uitgeput op een eiland zitten.
Mensen kunnen zich ook niet meer ontspannen. Ook ik voel de druk om te presteren, om zoveel mogelijk diploma’s te halen. De concurrentie is groot, dus je moet je onderscheiden om aan de bak te komen. Dat begint al op school. Je moet zoveel mogelijk weten, zo zelfstandig mogelijk werken en zo hoog mogelijke cijfers halen. Verschrikkelijk hoeveel tijd school kost. Soms denk ik mijn god, dit zijn de beste jaren van mijn leven en ik heb alleen maar verplichtingen. Voor jongens geldt dat helemaal omdat die ook nog in dienst moeten.
Een van de grootste verschillen tussen mensen uit de DDR en mensen uit het westen is dat mensen uit het westen zichzelf beter kunnen verkopen. Ze durven gewoon op te scheppen. In het westen laat je je zwakheden niet zien. In de DDR speelde dat niet zo’n rol. Of je nu goed was of slecht, iedereen had werk. Natuurlijk liepen veel baantjes ook via connecties, maar in ieder geval hoefde je jezelf niet te verkopen. Ik kan dat ook niet. Wanneer ik in een film speel, zie ik dat als een grote verantwoordelijkheid. Stel dat ik niet kan waarmaken wat ik anderen heb voorgespiegeld?”
Hoe ben je in de film gerold?
“Ik begon met acteren op m’n dertiende. Mijn moeder had gestudeerd met Thomas Heise, de regisseur. Hij vroeg of ik mee wilde spelen in der Brotladen, een stuk van Berthold Brecht over een arbeidersopstand. We speelden in het Berliner Ensemble, een gerenomeerd Brechttheater in Oost-Berlijn. Ik speelde een vrouw die altijd uit het venster hangt en die alles wat op straat gebeurt, bekritiseert. Hierna heb ik meer rollen gespeeld in theaterstukken en in 1995 speelde ik de hoofdrol in een televisiefilm.”
Heb jij last van vooroordelen van Wessies tegenover Ossies?
“In 1990, een jaar na de Wende, ging ik naar het Gymnasium in Kreuzberg in West-Berlijn. Het eerste jaar was ik samen met een ander meisje de enige Ossie in de klas. In discussies werden de Ossies bekritiseerd, vooral door Turkse klasgenoten. Eerst deden Turken het werk dat de mensen uit het westen niet wilden doen, toen kwamen de Ossies. Zij werden in grote getale werkeloos en de werkgevers wilden liever de goedkope Duitse Ossies dan goedkope Turken. Ik heb het oosten altijd verdedigd. Er gebeurden ook goede dingen. Er was een heel goed systeem voor tweedehands spullen en er werd veel gedaan voor jongeren. Ik was bijvoorbeeld bij de Jungpioniere.” (De door de staat georganiseerde jongerenbeweging in de DDR, waarbij je je maar beter kon aansluiten om niet in de problemen te komen. EV.)
Een van de grootste vooroordelen van Wessies is dat ze de Ossies ongekwalificeerd vinden. Dat is echt onzin. De opleidingen waren niet slechter. Ik krijg regelmatig het idee dat Wessies de Ossies dommer vinden, alleen omdat we in een land leefden dat economisch geen grote prestaties heeft geleverd. Alsof de bevolking dan niet intelligent kan zijn. Nu hebben veel mensen trouwens niet eens het geld om een vervolgopleiding te doen.
Er zijn wel meer vooroordelen. Toen ik in 1994 in Griekenland was, ontmoetten we Engelsen en Fransen die niet geloofden dat we uit Oost-Duitsland kwamen, omdat we er zo netjes uitzagen. Ze dachten dat we in lompen of zakken zouden lopen. Ik kon m’n oren niet geloven.
Ik viel van mijn stoel van verbazing toen ik voor het eerst hoorde dat mensen de DDR een dictatuur noemden. In een dictatuur is voor mij een zichtbare dreiging aanwezig, zoals die er was in Chili of Roemenië. Maar in de DDR was er geen continue militaire bewaking. Er was een Staatssicherheit en er was geen meningsvrijheid, maar het was voor mij geen dictatuur. Volgens mij hebben oudere mensen dat ook niet zo ervaren. Maar zo staat het in de westerse schoolboekjes.
Wij mochten ook het land uit. Niet naar kapitalistische landen, maar wel naar de verschillende staten in het Oostblok. Het is dus niet zo dat we volledig opgesloten waren. Mensen hebben niet geleden, materieel. Er was geen honger in de DDR en mensen werden niet door militairen bedreigd. Ja, natuurlijk wel als ze zich tegen de staat keerden. Het was voor een deel erg corrupt maar daarom zou ik het nog niet als dictatuur willen bestempelen.
De schoolboeken in de DDR waren trouwens ook niet bepaald zakelijk. Er werd altijd gepraat over de vijand. Het westen was de vijand.”
Lilly neemt me mee op sleeptouw door Prenzlauerberg. We lopen langs volle terrassen naar het ‘Mauerpark’, een monument op een van de plekken waar de Berlijnse muur heeft gestaan. Op het gras zitten groepjes mensen met hun gezicht in de zon. De sfeer is ontspannen.
Er wordt geschommeld, gepraat en gitaar gespeeld. Overal lopen kleine kinderen.
Lilly: “Er zijn nog maar weinig plekken waaraan je kan zien dat de muur er heeft gestaan.
Vroeger stond hier een grenstoren, waarvandaan de mensen uit het westen in het oosten konden kijken. Alsof we dieren waren in de dierentuin.
Voor mij zal het nooit verdwijnen. Als ik kinderen krijg, zal ik ze over de DDR vertellen. Maar op een gegeven moment hebben die verhalen natuurlijk steeds minder met de werkelijkheid van de DDR te maken.”
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten