vrijdag 26 maart 1999

Interviews Berlijn / Joseph

‘Firma Mensch’, Berlijn, 27 maart 1999


Vanuit de Käthe Kollwitzplatz in Prenzlauerberg is het niet ver naar de Danzigerstrasse.
Die steek ik over en dan loop ik verder door de Senefelderstrasse. Hier is het Prenzlauerberg dat nog niet door toeristen en het grote geld is ingehaald. Achter sommige verveloze gevels is met enige moeite een architectonische stijl te vinden, die doet denken aan Art Déco.
Aan een klein rond pleintje met hoge huizen staat het huis van Joseph (51), een kunstenaar die al lang in Oost-Berlijn woont. Het is moeilijk om zijn atelier te vinden. Er is geen bel. De deur kraakt. Het geluid klinkt na in het koele portaal, dat er uitziet zoals alle portalen in alle huizen van Berlijn. Het is er donker. Aan de muur zit een knop met een oranje lichtje, waarmee je een lamp aan kunt doen. Links en rechts is een trap naar boven. Op de vloer ligt bruin zeil. Rechtdoor ligt de binnenplaats. Hier is het doodstil. Overal zijn deuren, met daarachter weer trappen. Dit is wat er wordt bedoeld met ‘Wohnkaserne’, heel veel woningen, zes tot zeven etages hoog, op een klein stukje grond. Toch zijn de meeste woningen veel ruimer dan een doorsnee woning in Nederland.
Op de eerste verdieping moest ik zijn. Maar welke trap? Ik probeer verschillende trappen, maar vindt nergens de naam van Joseph. Het huis is een doolhof als je niet weet waar je moet zijn. Twee deuren zijn nog over. De ene is op slot, die ernaast is open. Ik loop twee trappen op en staar naar een onbekende naam. Dan herinner ik me dat het atelier van Joseph’s vrouw is.
Na enig aarzelen klop ik op de houten deur en dan staat hij voor me. Lachende ogen achter een enorme baard. Hij neemt me mee in het atelier, waar hij werkt aan de voorbereiding van een expositie. Sinds zo’n twintig jaar maakt hij foto’s, die hij vervolgens als ansichtkaarten en affiches verspreidt. Hij heeft z’n eigen uitgeverijtje en de kaarten worden in verschillende winkels verkocht. In het gangetje naast het atelier staan honderden kartonnen dozen, vol ansichten. Veel foto’s zijn afbeeldingen van gebods- en verbodstekens, richtingaanwijzers en publieke boodschappen. Het lijkt alsof hij duidelijk wil maken dat geen enkel systeem vrij is van bureaucratie. Het resultaat is meestal satyrisch.
Ik ken Joseph al een paar jaar. We hebben elkaar leren kennen op een ijskoude winterdag en werden al discussiërend dronken in de kroeg. Hij wil wel meedoen aan een gesprek over
“tien jaar westen in het oosten”.

Joseph: “Ik ben geboren in Halle en kwam op mijn achtste jaar met mijn moeder naar Berlijn. Zij was handelsvrouw en veel op reis. Ik was vaak aan mijn lot overgelaten, maar dat was niet erg. Ik kreeg m’n eten op school en zwierf veel over straat.
In 1961 was ik twaalf jaar en werd de muur gebouwd. Mijn moeder was op dat moment in Cuba, waar de Amerikanen net hun invasie hadden uitgevoerd, ze kende Ché Quevara.
Ik deelde briefjes uit aan de mensen die de muur bouwden, met de tekst ‘Handen af van Cuba’, maar had nog niet zo door wat er precies gebeurde daar bij die muur. Het verdelen van die briefjes was wel m’n eerste uiting van kritisch denken. Ik vond dat Cuba in vrijheid moest kunnen doen wat ze wilde. Wat ging dat de Amerikanen aan?
Op 9 november 1989 is de muur weer gevallen, maar ik ben pas in 1990 naar het westen gegaan. Wat moest ik daar? Ik wilde niet eens. We wilden een betere DDR, niet het westen. De Wende, letterlijk keerpunt, is voor mij een stap terug. Zo hebben we het niet bedoeld.
Het socialistische idee is gestrand op geld, de DDR was failliet, maar komt volgens mij ooit weer terug. In de ontstaanstijd van de DDR zag het er hoopvol uit. Soms heb ik het gevoel dat ik in het verleden een glimp van de toekomst heb gezien. Ik vraag me af hoe de volgende Wende eruit zal zien, zoals het nu is, is het volledig mis.”

Vanaf 1976 werkte Joseph als leraar op een kunstopleiding, een avondschool. Hiermee had hij de status van zelfstandige. De enige eis die werd gesteld, was dat je moest aantonen dat je 3.000 mark per jaar verdiende. Het voordeel was dat niemand je lastig viel. In die tijd begon hij met het organiseren van eigen tentoonstellingen.
Joseph: “Dat ging heel goed, al waren er regelmatig aanvaringen en kritische momenten. Er werd bijvoorbeeld eens een tentoonstelling gesloten, nog voordat ‘ie was geopend. De partijsecretaris en de chef van het cultuurforum kwamen langs terwijl ik aan het opbouwen was. Ze wilden dat ik een paar beelden weghaalde, maar dat wilde ik niet. Toen werd er een bordje neergehangen: tentoonstelling om technische redenen gesloten. We hebben de opening bij mij thuis gevierd. Natuurlijk was ik kwaad, maar ik had ook het gevoel dat ik de vinger op de zere plek had gelegd. Ik had iets goeds gemaakt.
Ik was geen held, ook niet zo geboren, maar ik doe gewoon niet mee met bepaalde dingen. Als je held zegt stop je me meteen in een vakje. Dat maakt veel duidelijk over hoe we met taal omgaan Ik ben ook geen kunstenaar. Het is onbelangrijk hoe het heet. Ik wil gewoon werk doen waarvoor ik zelf kies, er moet een innerlijke drijfveer zijn in het werk dat een mens doet.”

Wat zijn de verschillen tussen vóór- en ná de val van de muur?
“Ik woon nog in hetzelfde huis, ik doe hetzelfde werk, zij het onder buitenlandse voorwaarden. Op straat heb ik vaak het gevoel dat ik in het buitenland ben. Alle huizen krijgen nieuwe gevels en gaan er uit zien als een vijfenzeventigjarige vrouw met het uiterlijk van een vijftienjarig meisje. Ik hield van die oude afgebladderde gevels en van straten zonder reclame en vind het diep treurig dat het er nu zo clean uit gaat zien. Thuis ben ik in m’n eigen land. Vroeger bedroeg mijn huur 31 mark per maand en nu 500, terwijl er aan de woning niets is veranderd. Vroeger hoefde ik maar één dag bij SERO, het verzamelpunt van gebruikte spullen in de DDR, te werken en dan had ik mijn huur. De huidige 500 ‘Westmark’ heb ik niet zo snel bij elkaar. Er wordt dus veel meer van mijn tijd gevraagd, alleen al om huur te betalen.
Zoals ik al zei is de Wende de weg terug. ‘Firma Mensch’ schopt alles in de war. Door de val van de muur is er veel meer berekening gekomen, in economische en politieke zin. Het wezen van de mens, het sociale wezen, bestaat niet meer. Dat is ‘Firma Mensch’, als je je afvraagt: wat heb ik daar aan, hoe wordt ik hier beter van? Ik doe er niet aan mee en tot nog toe heb ik geluk gehad dat het gaat, dat ik kan eten. Ik dring niemand op om te denken zoals ik, maar het valt me wel op dat maar zo weinig mensen nadenken, uit gemakzucht, of uit gewoonte. ”

Hoe gaan je vrienden en bekenden om met de nieuwe tijd?
Joseph: “Met sommigen gaat het zo goed dat ik me afvraag of we nog vrienden zijn. Ze hebben een BMW, een huis, een kindermeisje en een zaak. Met anderen gaat het helemaal niet, dat zijn misschien ook geen vrienden meer. Sommigen zijn wereldvreemd geworden. Een beeldhouwer hier uit de straat is bijvoorbeeld niet meer om uit te houden. Hij kan het niet in deze wereld. Hij leeft van de bijstand, drinkt en is agressief. We delen goede herinneringen aan de tijd voor 1989. Er zijn veel mensen met wie het goed gaat en veel met wie het slecht gaat. Met beide uitersten kan ik niets beginnen. Ik zit er tussenin, vanuit die positie kan ik ermee omgaan.”



Er wordt geklopt. Karla, de vrouw van Joseph, komt binnen. Ze is klein, heeft rood haar en is net als Joseph kunstenaar. Om haar geld te verdienen geeft ze handvaardigheid op een middelbare school. Ze nodigt ons uit voor het eten. We lopen naar de verdieping boven het atelier. De kleine ronde tafel in de keuken staat vol kaas, worst, Duits brood en bier.
Karla mengt zich met verve in het gesprek:
“Het verlangen naar sociale relaties blijft, ik zie aan mijn leerlingen dat ze nog steeds op zoek zijn naar sociale verbanden. Het is heel gek, ze lijden onder het systeem school, maar komen na twee jaar huilend terug omdat ze het missen. Jongeren hebben een structuur nodig. Rituelen. Dingen die steeds weer terugkeren. Iets waar ze bij horen. Er wordt nu meer van mensen gevraagd. Ze moeten presteren maar niet alle jongeren kunnen daarmee overweg. Veel leerlingen zijn na de middelbare school begonnen aan een studie, maar ze begrijpen niet wat er van ze verlangd wordt. Ze proberen een plaats te vinden op de universiteit, maar weten niet goed hoe ze moeten studeren. Ze zien geen samenhang. Tegelijkertijd zien ze, vooral als hun ouders werkeloos zijn, dat de samenleving heel goed zonder ze kan. Niemand heeft ze nodig. De samenleving individualiseert. Er zijn veel mensen die alleen willen leven en die zoveel mogelijk onafhankelijk willen zijn. Maar ze zijn niet écht onafhankelijk.
Mensen hebben zich honderden jaren lang bij de een of andere kerk aangesloten. Die kerk heeft mensen gebruikt, maar ze vonden er ook een zin. Ze voelden zich geborgen in God’s schoot. Dit verlangen naar een zin proberen mensen nu in New Age te vinden. Misschien worden ze opnieuw gebruikt, maar je mag deze zoektocht niet wegsmijten.”

Is de kerk niet vergelijkbaar met het systeem in de DDR?
Karla: “Er was meer saamhorigheid in de DDR. Menselijke relaties hadden een andere inhoud dan nu gebruikelijk is. We deelden bepaalde plichten, zoals de opvoeding van onze kinderen. Hierdoor had ik meer vrijheid. Ik vind snel uit of mensen uit het oosten komen. Er is nog steeds een grote betrokkenheid. Veel mensen voelden zich in de DDR verbonden in de bedrijfscollectieven. Ik vond die grote georganiseerde feesten of betogingen, dat doen alsof we één grote gemeenschap waren, leugenachtig. Ik heb mijn kind op een gegeven moment in een crèche van de kerk gedaan, maar daar was het niet anders.
Mijn chef’s waren een soort van betrouwbare vijanden. Omdat ik ‘Genossin’ was, ik was namelijk bij de partij omdat ik heb geloofd in een socialistische samenleving, konden ze me nooit iets maken. Het werd zeer demagogisch gespeeld: we hadden één vijand en dat was het westen. Ik had geen zin om een strijd aan te gaan met die idioten, nog steeds niet. Al kon ik eerlijk gezegd beter omgaan met de DDR-autoriteiten als met de kapitalistische.
Nu wordt het me niet meer verboden om als kunstenaar kritisch werk te maken, maar de ruimte om te spelen is me afgenomen. Ik moet mijn leven financieren. Vroeger speelde dat niet zo dringend. Nu is er zogenaamd vrijheid, maar de één na de ander verliest z’n baan.”

Joseph: “Er was meer tijd in de DDR. Dat is het belangrijkste wat het westen van me heeft gestolen. Omdat we minder georiënteerd waren op geld, had ik meer tijd om dingen te maken die geen geld opleveren. Nu moet ik nadenken hoe ik geld bij elkaar krijg, om een maand te kunnen besteden aan werk dat me interesseert.
Het is nog niet de tijd voor een rechtvaardige samenleving. Daarvoor heb je een enorme hoeveelheid mensen nodig, die met minder willen leven. Die niet zo nodig elke dag in 200 liter water hoeven te liggen, of allemaal in een auto willen rijden. Op het nieuws zeiden ze laatst dat de pas gevallen sneeuw files veroorzaakte. Maar dat ligt niet aan de sneeuw, dat ligt aan de auto’s.”

Het gesprek stokt als er ineens een enorm onweer losbarst. Voordat ik me naar huis haast, drukt Karla me nog wat foto’s van haar werk in de hand. Grote ruimtelijke installaties, waaronder een grote hangmat: “11x21 afzenders van brieven, die ik tot 1989 ontving, afgescheurd, geplastificeerd en met een touw van hennep tot een hangmat aan elkaar geknoopt”. De bijbehorende teksten: “Zoek ze niet / Ze zijn getrouwd / Ze zijn verhuisd /
Ze zijn vreemd geworden / Ze zijn gestorven / Ze schrijven niet meer / Zij die mij schreven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten