Je moet moedig zijn, en niet te conservatief
Berlijn, 30 maart 1999
De S-Bahn rijdt van Alexanderplatz naar Schöneweide, in zuidoostelijke richting. Hij rijdt langs verschillende Oost-Berlijnse wijken, langs havens en fabrieken. Na ongeveer twintig minuten staan in de verte torenhoge witte flats als spoken in het landschap. Op de voorgrond staan kleine vakantiehuisjes, ‘Datsches’, op overvolle volkstuintjes. Er komt rook uit de schoorstenen.
Vanaf het station in Schöneweide is het vijf minuten met de auto naar de wijk Johannisthal. We zijn nog steeds in Berlijn. Het is wat stiller dan in de binnenstad, maar de huizen zien er niet echt anders uit dan in bijvoorbeeld Prenzlauerberg, een toonaangevende wijk in Oost-Berlijn. Ook in Johannisthal wordt veel gerenoveerd en nieuw gebouwd. De verschillen tussen oost en west verdwijnen. Natuurlijk ziet het er allemaal prachtig uit, glad gestuckte muren in uiteenlopende kleuren, maar met het verdwijnen van de grauwheid en de afgebladderde gevels in het voormalige oosten verdwijnt er een bepaalde atmosfeer. Of beter gezegd, een hele staat. Alleen de geur van kolen herinnert nog vaag aan de voormalige DDR.
Ik ben op weg naar het huis van Martina (39), een geboren Oost-Berlijnse, om terug te blikken op de tien jaar die er sinds de val van de muur zijn verstreken.
Op 9 november 1989 konden de mensen uit Oost-Duitsland na 28 jaar ‘muur’ massaal over de grens naar het westen. Sindsdien hebben oost en west zich herenigd. Ik vraag me af wat die hereniging heeft opgeleverd.
Martina woont in een nog niet gerenoveerde driekamerwoning en begroet me hartelijk. Ze is klein en slank en draagt een leren overgooier. Achter haar beweeglijke gestalte loop ik mee naar de kleine keuken. Aan de tafel zit Martina’s collega, Heike (36). Heike heeft blond haar en draagt een bril. Ze is stiller en verlegener dan Martina en is geboren in Angermünde, een stad 100 km. ten noorden van Berlijn. Martina dekt de tafel en zet thee. We eten zelfgebakken brood met een salade van mozzarella en tomaten.
Martina: “Relaties in het oosten waren dieper, intenser en eerlijker: je hoefde niet te doen alsof en je werd door anderen geaccepteerd, ook als je er eens een keer niet zo mooi en verzorgd uitzag. Een vriend van ons was nogal kontaktgestoord en we hebben soms om hem gelachen, maar hij hoorde er wel bij. Ook de mensen met alcoholproblemen hadden een vaste aanstelling. Iedereen wist ervan maar deed gewoon alsof er niets aan de hand was. Nu leven ze op straat.
Niemand werd buitengesloten, in ieder geval niet zo extreem als nu. Iedereen kon wonen, eten, werken en er was tijd om sociale kontakten te onderhouden. Wat er ook met je aan de hand was, je had altijd werk. Ik wil het niet mooier maken dan het was, maar je hoefde niet bang te zijn om in de goot te belanden. Er waren weinig onzekerheden in het leven omdat je was opgenomen in een sociaal verband. Dat is nu anders.”
Heike: “Nu speelt: hoe moet ik me kleden. Nu let je op je woorden. Vroeger waren er eigenlijk maar twee thema’s, politiek en de verhouding oost-west. In familiekring kon je vrij met elkaar praten en op je werk wist je heel goed bij wie je je mond moest houden. Ik vond dat niet zo heel erg. In ons kleine stadje leefden we met elkaar en we hielpen elkaar. De één zorgde voor dit, de ander voor dat, zonder je af te hoeven vragen hoeveel dat kostte. Nu draait bijna alles om geld.”
Martina: “Waar ik echt niet aan kan wennen in deze tijd is mezelf verkopen. Gewoon zeggen: ik ben degene die u nodig heeft, ik ben goed, ik kan met mensen omgaan, ik doe mijn best. Dat kan ik niet in een gesprek. Ik kan formuleren wat voor wensen ik heb ten aanzien van mijn werk maar ik ben niet in staat om mezelf in een zo positief daglicht te brengen dat anderen na een gesprek zeggen: die willen we hebben.”
Martina wekt niet bepaald de indruk dat ze gebrek aan zelfvertrouwen heeft. Als ik dat zeg reageert ze fel:
Martina: “Ik wil het misschien niet eens, het is niet naturel. Ik vind het mooier om bescheiden te zijn, zonder mezelf geweld aan te doen natuurlijk. We werken nu in het westen, met mensen uit oost en west, in een inrichting voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten.
Er zijn veel momenten waarop we van elkaar leren, dat vind ik erg spannend. Het kontakt met collega’s is best open, we vertellen ook over de DDR. Ik ben fysiotherapeut en heb veel lichamelijk kontakt met gehandicapten. Ik zie ze vaak zonder hun kleren, bij het douchen, en dan zijn ze aan mij uitgeleverd. Het is heel belangrijk voor me om ze duidelijk te maken dat ik precies zo kwetsbaar ben als zij. Het accepteren van de ander is heel belangrijk, dat is in ons beroep waarschijnlijk belangrijker dan in de meeste andere beroepen.”
Heike heeft een baan als opvoedkundige in de inrichting. Ze vertelt dat ze altijd boekbinder was, totdat de muur viel:
“In 1989 stortte mijn wereld in elkaar. Tot 1991 kon ik blijven werken, daarna werd de verkorte werktijd ingesteld. Het hield in dat we alleen konden werken als er opdrachten waren. Ik zat thuis en werd gebeld als er opdrachten waren binnengekomen. Soms zat ik een week thuis om vervolgens weer twee dagen te werken. Ondertussen kreeg ik wel m’n gewone loon. Daar kon ik helemaal niet mee omgaan.
Ik lag in het ziekenhuis voor spataderen toen mijn man het bericht bracht dat ik was ontslagen. Omdat ik het niet rechtvaardig vond ben ik naar de vakbond gestapt. Andere, jongere, collega ‘s zonder kinderen werden niet ontslagen. Naar mijn mening werd ik ontslagen omdat mijn chef vond dat ik na de val van de muur een te grote mond had gekregen. De vakbond was het met me eens en spande een rechtszaak aan tegen mijn toenmalige werkgever. Het heeft lang geduurd, uiteindelijk kreeg ik vierduizend mark. Ik zat te trillen in de rechtbank maar gelukkig had ik een aardige rechter.
Na ongeveer een jaar werkeloos te zijn geweest, ging ik naar het arbeidsbureau in Schwedt, waar ik op dat moment woonde. Een verschrikkelijk gevoel. Ik wilde wel meedoen aan een omscholing maar ze dwongen me om te kiezen tussen een opleiding tot verkoopster bij een reisbureau, tot medewerkster bij een advocatenkantoor, of tot medewerkster bij een expeditiebedrijf. Ik wilde geen van drieën, maar ik moest. Uiteindelijk koos ik voor het reisbureau, in de hoop in ieder geval een beetje door het westen te kunnen reizen. De opleiding duurde twee jaar, maar al tijdens de stage werd duidelijk dat het niets voor me was. Mijn baas zat ons achter de vodden. We moesten zoveel mogelijk verre reizen verkopen maar dat kon ik niet. Dus was ik na twee jaar weer werkeloos.
In juli 1993 liep mijn huwelijk stuk. Mijn man was ook werkeloos en had bovendien alcoholproblemen. Toen het hem niet lukte om er van af te komen ben ik gescheiden.
Ik wilde mijn zoon Benny beschermen. Maar ik was echt bang. Waarvan moest ik leven? Waar moest ik wonen? De woningbouwvereniging wees het huis namelijk toe aan mijn man.”
Heike vroeg een bijstandsuitkering aan en vond een woning in Schwedt. Benny begon op dat moment te stotteren. Toch zocht ze een plek voor hem in de crèche en verzamelde moed om opnieuw naar het arbeidsbureau te gaan:
Heike: “Ik heb gezegd dat ik niet wegging voordat ze een baan voor me hadden. Ik wist namelijk dat er in een naburige plaats een baantje vrij was in de kinderopvang. Ik kreeg de baan, ook al waren er veel gegadigden, maar er was één probleem: Benny. De baan zou beginnen met een vakantiekamp en Benny kon niet mee.
Ik vertelde op het arbeidsbureau dat ik mijn kind niet in een tehuis wilde stoppen om vervolgens zelf met kinderen te gaan werken. Het resultaat was dat ik eenzelfde baan kreeg, in Schwedt. Het was het beste wat me kon overkomen. Er werkten vriendinnen van me van vroeger, onder andere een poppenspeelster. We gaven cursussen in het maken van poppen en in clownerie en we speelden voor kinderen en gehandicapten. We hadden heel veel plezier en de kinderen ook. Daar had ik voor het eerst kontakt met gehandicapten en het sprak me erg aan. Maar na een jaar hield het op, er was geen geld meer voor.”
Intussen had Heike haar grote liefde ontmoet en vertrok naar Berlijn. Haar vriend woonde in een tweekamerwoning, die veel te klein was voor twee volwassenen en een kind. Bovendien zat de nieuwe liefde na verloop van tijd steeds vaker op bezoek bij een vriend. Heike zat veel alleen thuis, zonder vrienden. Ook bleek het vinden van een baan in Berlijn niet zo gemakkelijk als ze zich had voorgesteld:
Heike: “In de krant zag ik een vacature als begeleider voor gehandicapten. Ze vonden me geschikt maar namen me niet aan omdat ik geen diploma’s had. Ik kreeg ook geen kans om me te bewijzen. In 1996 besloot ik om een opleiding te gaan volgen. Met moeite kreeg ik het arbeidsbureau zover dat ze het betaalden. Dat ging dus goed, maar privé begonnen de problemen weer. Mijn vriend maakte het uit, Benny kreeg problemen op school en werd een klas teruggezet, mijn grootouders stierven en tegelijkertijd moest ik een woning vinden. Via de dienst Huisvesting vond ik een fijne woning hier in de buurt, op een rustige plek, een doodlopende straat.
Sinds afgelopen februari heb ik een vaste aanstelling. Een enorm geluk. Sinds kort is ook bekend geworden dat Benny leesblind is, we zijn nog in overleg wat we het beste kunnen doen met hem.
Een bewogen leven na de ‘Wende’. Terwijl ik me daarvoor nooit zorgen maakte. Stel je voor, anders was ik nog gewoon boekbinder geweest. Maar het is goed nu. Ik heb het gered hier in Berlijn, al mis ik Schwedt en is het spijtig dat het niet meer loopt tussen mijn vriend en mij.”
Martina gaat in op Heike’s laatste woorden en zegt dat het moeilijk is geworden tussen mannen en vrouwen:
Martina: “Wij zijn de eerste generatie die onafhankelijk van economische belangen een relatie aan kan gaan. Veel mensen om me heen hebben de relatie die ze vóór de val van de muur hadden verbroken. In de DDR zijn ook veel mensen gescheiden maar er waren minder mensen die alleen leefden, je had zoals ik net al zei sterkere sociale verbanden. Nu kan je kiezen welke levensvorm je wilt, maar wij zijn niet zo flexibel. Het is een probleem en tegelijkertijd een enorme uitdaging. Je moet moedig zijn nu, en niet te conservatief.
Ik had in de DDR lange tijd een weekend- relatie, waaruit mijn in 1989 mijn zoon Richard is geboren. Het was een zwaar jaar, politiek gezien én omdat ik zwanger was. Veel vrienden vluchtten via Hongarije naar het westen. Het was elke morgen weer spannend om te zien of alle collega’s er nog waren. Op 9 november 1989 viel de muur en op 28 november werd Richard geboren. Hij is een echt ‘Wendekind’. Het was zo’n mooie tijd, het is niet te beschrijven. Als echte Berlijner had ik altijd met de muur te maken. Mijn vader was gevlucht naar het westen en dat heeft ons gezin ontwricht. Er zijn zoveel gezinnen door de muur uit elkaar gerukt.”
In 1996 werd Martina opnieuw verliefd:
Martina: “Het zorgde er voor dat ik de vastgelopen weekendrelatie los kon laten. M’n nieuwe vriend kende ik van de middelbare school, we waren toen al gek op elkaar en moesten misschien nog iets inhalen. Zijn vrouw was net naar Hongarije gevlucht, ze zijn in één dag gescheiden.
Helaas waren we maar kort samen, hoe mooi het ook was. Ik denk dat ik dat zelf heb verknald. Qua werk is het gelukkig stabiel. Ik oefen mijn vak al 20 jaar uit en doe het graag. Ik verdien niet zo heel erg veel maar we kunnen er van rondkomen, hoewel ik eigenlijk graag op grote voet leef.”
We praten over geld en over keuzevrijheid in de DDR. Eigenlijk was er altijd genoeg geld, bovendien waren veel voorzieningen vrijwel kosteloos. Je kon altijd naar het theater, dat is nu te duur. Een woning kostte gemiddeld 40 mark en zaken als brood, boeken en het openbaar vervoer waren spotgoedkoop. Een vak studeren naar eigen keuze was daarentegen niet altijd mogelijk:
Martina: “Ik was graag voor een jaar naar het buitenland gegaan voor mijn opleiding, maar dat ging niet. Ik had ook willen studeren, maar omdat ik niet bij de ‘Jungpioniere’ en de ‘FDJ’ was aangesloten kon ik geen eindexamen doen aan het gymnasium. Meedoen aan de jongerenbeweging was in de DDR een ongeschreven plicht maar mijn ouders deden niet mee aan het systeem, een buitengewoon standpunt. Er gingen gemiddeld drie kinderen per klas naar het gymnasium, je IQ én je politieke opvattingen moesten in orde zijn. Ook was het niet mogelijk om eens een jaar niet te werken en kreeg je in de DDR maar 18 dagen vakantie per jaar. Werken was verplicht en je mocht geen ontslag nemen.”
Heike: “Een groot verschil is dat we een andere tijdrekening hebben gekregen. Ik reken altijd vanaf de val van de muur. Er is de tijd ervoor en de tijd erna. Een enorme breuk. We hebben een cultuurshock beleefd. Iedereen had angst.
Vlak voordat de muur werd gebouwd, in 1961, vluchtte mijn opa naar het westen. Mijn ouders zijn gebleven. Ik zag mijn opa één keer per twee jaar, er was geen relatie tussen ons, vanaf een bepaald moment spreek je een andere taal. Toen mijn opa stierf mocht m’n vader naar de begrafenis, toen mijn oma 80 jaar werd mocht ik haar opzoeken. In 1985 werden bepaalde regels al wat soepeler, al werd ik werd van tevoren streng verhoord en kwam een vriend van mijn toenmalige man op bezoek die me allerlei vragen stelde: of ik iets voor ‘m mee wilde nemen, of ik niet in het westen zou willen blijven. Later bleek dat hij voor de Stasi werkte. Ik schrok me wild en vroeg me af wat ik in hemelsnaam had gezegd. Gelukkig mocht ik uiteindelijk gewoon gaan. Het was opwindend om naar Hamburg te reizen. Ik had mijn oma tien jaar lang niet gezien. De begroeting was koel er was niet zoveel meer tussen ons. Ik was een Ossie in het westen. De luxe en het overaanbod aan spullen waren een shock. Al heel snel wilde ik weer terug naar het oosten. We hadden een heel andere levenswijze in de DDR.”
We drinken nog een glas wijn en Martina zet een cd op van Gundermann, een geliefde arbeider-zanger uit de DDR. Hij stierf nog niet zo lang geleden op z’n 40ste levensjaar en Martina was bij een van zijn laatste concerten. Ze laat haar lievelingslied horen waarin de zanger een melancholisch lied zingt over het gebrek aan tijd. Gebrek aan tijd en stress, een veel gehoorde klacht van mensen uit de voormalige DDR.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten