woensdag 31 maart 1999

Interviews Berlijn / Ruth

Toen de muur viel dacht ik: nu worden we weggevlakt
Berlijn, woensdag 31 maart 1999


Ruth werkt sinds 1993 als cassière in het ‘Filmkunsthuis Babylon’ aan het Rosa Luxemburgplein in het oostelijk deel van de stad. Over een paar jaar gaat ze met pensioen. We ontmoeten elkaar onder werktijd en hebben een uur om te praten, terwijl ze ondertussen de binnenkomende telefoontjes moet beantwoorden.
Ruth’s haar is wit. Ze is stevig gebouwd en draagt een blouse van spijkerstof, waarop een wit konijn is geborduurd. Haar blik is open, haar ogen hebben een kleur die het midden houdt tussen bruin en oker. Ze heeft een zachte uitstraling. We stellen vast dat ik ongeveer dezelfde leeftijd heb als haar drie dochters.

Ruth werd op drie oktober 1938 geboren in Neu-Zittow, een dorp ten noorden van Berlijn. Toen de tweede wereldoorlog voorbij was ze zeven jaar. Een jaar later verenigden zich in de Russische sector van Berlijn de KPD (Katholieke Partij Duitsland) en de SPD (Sociaal-Democratische Partij Duitsland) in een nieuwe partij, de SED (Socialische Eenheids Partij Duitsland).
Meteen na de oorlog was het uit de weg ruimen van het nationaal-socialisme één van de belangrijkste doelen. De mensen die zich inzetten voor de opbouw van de nieuwe socialistische staat waren ervan overtuigd dat de arbeidersbeweging het enige alternatief was voor het nationaal-socialisme. Ze waren bereid om de onderlinge onenigheden van voor de oorlog te vergeten, om zich samen in te zetten voor een nieuw begin, voor de wederopbouw van een nieuwe staat. Dat deze verbondenheid na korte tijd verdween, dat de staat en de partij zich anders ontwikkelden dan gehoopt is algemeen bekend. De SED regeerde 43 jaar lang als enige politieke partij in de DDR, totdat in november 1989 de muur viel.

De vader van Ruth was arbeider in de bouw en later bij de spoorwegen. Haar moeder werd geboren in 1914, kwam uit een eenvoudig milieu en werkte zoals dat toen gebruikelijk was als dienstmeisje bij een rijke familie. Na verloop van tijd werd ze serveerster en vervolgens fabrieksarbeidster, totdat de grote vooroorlogse werkeloosheid intrad. Ruth’s moeder trouwde op haar 30e en bracht 4 kinderen groot. Ze wilde dat al haar kinderen een beroep zouden leren en dat is gelukt. Ruth volgde een opleiding als Schlosser en later een cursus voor boekhouding en kantoorwerkzaamheden. Ze ging werken als inkoopster op kantoor en belandde uiteindelijk bij de staatsuitgeverij van de DDR. Ze was er verantwoordelijk voor de inkoop van schrijfmachines, papier en pennen en dergelijke.

Ruth: “Ik ben dus in de DDR groot geworden, ik wist niet anders. Mijn vader zat na de oorlog drie jaren gevangen in een voormalig concentratiekamp, dat door de Russen werd geleid. Na zijn gevangenschap keerde hij terug en had een heel andere blik op de Russen als wij, zijn kinderen. Wij sloten ons aan bij de Jungpioniere, de onderafdeling van de officiële politieke jeugdbeweging in de DDR. Hij vroeg zich vaak hardop af waarom we daar aan meededen. Toen mijn zus zich bij de partij aansloot vond hij dat maar niks. Toch was het in de DDR algemeen geaccepteerd dat in ieder geval één persoon binnen een familie zich bij een partij aansloot, dat was al zo in de Nazi-tijd, toen mijn grootvader een herberg bezat in Berlijn. Naar mijn mening zijn alle mensen vrijwillig bij de partij gegaan. Ik heb er nooit aan mee gedaan omdat ik niet politiek geïnteresseerd was.
De DDR was na de oorlog een staat in opbouw en werd opgericht vanuit de afschuw over het nazisme en het idee van vrede. Ik vond dat in orde. Toen. Het probleem was dat de mensen met kennis en ervaring bijna allemaal bij de Nazi-partij aangesloten waren geweest en niet op verantwoordelijke posten mochten werken. Achter het socialistische ideaal staan was belangrijker dan het hebben van vakkennis. Nieuwe leraren bijvoorbeeld waren vaak niet eens in staat om foutloos Duits te schrijven. Op die manier zijn er veel onwetende mensen op veel te hoge posten gekomen. Het was het belangrijkst dat ze ideologisch achter de idealen van de staat in opbouw stonden.
In ’59 verhuisde ik van Neu-Zittow naar Berlijn omdat ik trouwde met een Berlijnse man. Het was normaal om al heel jong te trouwen. Trouwen betekende zekerheid. De meeste mensen in die tijd trouwden voor hun 25e en kregen vrijwel meteen kinderen. Ik was 21 jaar. Op die leeftijd dacht ik er helemaal nog niet aan dat er problemen zouden kunnen komen. We woonden aan de Wolankstrasse in Pankau, een wijk in het noordoosten van Berlijn, tegenover het S-Bahnstation ‘Wolankstrasse’. Iedere morgen verliet ik ons huis om de kinderen naar school te brengen. We reden dan een paar haltes met de S-Bahn.
Op maandagmorgen 14 augustus 1961 wilde ik met mijn dochter naar het station toen we op straat tegen rollen prikkeldraad stuitten. Erachter stonden ‘Kampfgrupen’ in uniform, het geweer in de aanslag. In alle bedrijven werden groepen mensen militair opgeleid voor het geval dat er catastrofen uitbraken. De ‘Kampfgrupen’ werden ingezet bij de bouw van de muur. Ik wist niet wat er gebeurde. Ineens lag het station in het westen. Het was vreselijk. Ik dacht dat de oorlog was uitgebroken. De hele operatie was in het grootste geheim voorbereid. De muur stond meteen achter mijn huis. Vanwege mijn twee kinderen kwam ik niet op het idee om te vluchten.
Het gebied waar ik woonde werd ‘Sperrgebiet’, omdat het zo vlak bij de muur lag. Dat betekent dat we dubbel ingesloten waren, door de muur én door het verbod om spontaan bezoek te ontvangen. Alle bezoeken moesten van tevoren worden aangevraagd. Op dat moment was ik huisvrouw en kreeg ik mijn derde kind. Mijn afleiding in de tijd die volgde bestond uit dansen, uit eten gaan met mijn man en vrienden zien. Zolang ik niet werkte dacht ik niet politiek, zoals mijn moeder ook niet precies wist wat er in de oorlog gebeurde, maar er wel altijd voor ons was. In tegenstelling tot een van mijn vriendinnen die als jong meisje al in de weer was met Marx en Lenin. Voor mij was het belangrijk dat de kinderen er goed uitzagen. Ik naaide en breide veel. Ik was in een andere positie dan de mensen die mee hadden geholpen met het opbouwen van de staat. Ik vond het niet erg dat er geen bananen waren. Ik dacht altijd bij mezelf: er zijn mensen die het nog veel erger hebben.”

Als ik vraag hoe het leven in de DDR was haalt ze haar schouders op. Er valt een lange stilte. Ze antwoordt dat er in ieder geval geen angsten waren. Ik kan me dat niet voorstellen. Ze zegt dat er in ieder geval geen grote angsten waren, geen ‘existenzangsten’, zoals velen dit nu ondervinden: de angst voor het bestaan en de druk om geld te verdienen en te presteren.
De meesten mensen hadden een woning, de kinderen kregen een opleiding, een stageplaats en aansluitend een baan.

Ruth: “In 1965 ben ik weer gaan werken en cursussen gaan volgen. In 1971 ben ik gescheiden. Toch kon ik leven en elk jaar op vakantie. Weliswaar niet naar Kreta maar wel naar de Mecklenburger Seeplatten, een merengebied ten noorden van Berlijn. Ik weet niet of alleenstaande moeders van drie kinderen in deze tijd elk jaar op vakantie kunnen. Omdat ik weinig familie en goede vrienden had in het westen was het niet erg dat ik daar niet naar toe kon. Ik kon naar elk land in het oosten.
Ik voelde geen druk van de staat. Geen angst. Ik heb altijd meegewerkt in de vakbond maar dat was anders in de DDR dan in het westen. Alles was goed georganiseerd voor arbeiders dus niemand dacht er aan om te staken.

Op 9 november 1989, de dag dat de muur viel, was ik aan het werk bij de uitgeverij van de staat, een mooi gebouw in de Wilhelmstrasse, vlakbij de Brandenburger Tor. Ik zat over allerlei saaie werkverdelingsplannen gebogen. Ergens in de hoek stond een kleine televisie aan. Zo hoorde ik het. Ik was net zo geschokt als toen ‘ie werd gebouwd. Mijn eerste reactie was heel gek. Ik dacht: nu worden we weggevlakt… De DDR was niet verkeerd.
Ik kon ook niet meteen over de grens, dat duurde een paar weken, zo sterk was de DDR, ik was geremd. Er hing zo’n sfeer van ‘de Ossies komen met grote tassen en kopen alles op’. Dat was neerbuigend. Ik had het gevoel dat ze ons uitkochten. Daar wilde ik niet bijhoren. Elk mens heeft een toch een bepaalde trots. Natuurlijk was ik nieuwsgierig. De eerste keren durfde ik ook niet alleen over de muur.
De eerste maanden er na wist ik al dat ik werkeloos zou worden. We bouwden de boel af en na drie kwart jaar was het voorbij. Ook mijn dochters werden werkeloos. Een van de eerste dingen die ik deed was het afsluiten van een overlijdensverzekering zodat mijn kinderen niets hoefden te betalen in het geval ik zou komen te overlijden. Regelrechte ‘existenzangst’. Alles werd ook veel duurder, ik betaal nu 6x zoveel maar verdien hooguit 3x zoveel, maar zolang ik werk gaat het me economisch goed. Dat wordt anders zodra ik met pensioen ga. Een keer ben ik op reis geweest naar het westen, naar Tenerife. Was ik in de DDR naarmate ik meer ging werken ook iets meer politiek geïnteresseerd geraakt, nu na de val van de muur helemaal niet meer.

Begrijp je nog iets van de wereld?
Wie begrijpt er iets van de wereld? Politiek laat ik nog steeds links liggen. Voor mij geen SPD en geen PDS. Er is me te weinig tolerantie in de politiek en ik begrijp niet dat mensen zich zo laten manipuleren.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten